En of het waar is?! - Issue #8
21-4-2021
Ik stuiter over de Amsterdamse klinkers op mijn geleende fiets. De straten trillen door de voorvork en schieten door mijn onderarmen mijn herinneringen in. Ik bedenk me hoe ik ooit wegging uit Haarlem om hier in Amsterdam te zijn en hoe ik laatst juist hier wegging om weer daar te zijn. Als ik op deze twee plekken tegelijk kon zijn zou ik een gelukkiger mens zijn, dat staat vast. Niks ten nadele van mijn huidige geluksniveau overigens, dat al tijden even onverklaarbaar stijgt als beurskoersen in tijden van pandemie. Beide steden hebben gebreken waar de ander in uitblinkt en hoogtepunten die de ander mist en ook nooit zal krijgen. Ik mis ons huis in Amsterdam als ik in Haarlem ben. Maar als ik door Amsterdam fiets voelt thuis toch ver weg. Mijn ziel is verscheurd tot confetti en ligt verspreid over de straatstenen tussen de Rozengracht en de Damiaatjes. 
Met mijn oordoppen in manoeuvreer ik me door fysieke en virtuele realiteiten. Noise cancelling technologie verdrukt de geluiden van de stad en uit de inter-ruimtelijke vergaderzaal trekken stemmen aan me, terwijl de broeierige voorjaarslucht mijn haren aait. Één keer knipperen en ik zit in een semi-chique bureaustoel in een smaakloos ingerichte vergaderruimte, omringd door flauwe grapjes die verhullen dat de afzenders niks begrijpen van de inhoud, of er nog minder om geven dan ik al vermoedde. Ik irriteer me aan de geforceerde professionaliteit en de hopeloze verheerlijking van overwerk. De valse bescheidenheid die borstklopperij moet verbergen, maar zo verschrikkelijk opzichtig faalt. En natuurlijk het struisvogelgedrag als het gaat om de impact van ons werk en de rol die we spelen binnen een grotere maatschappelijke context. Het lijkt niemand echt dwars te zitten, want ze vergaderen er lustig op los. Ik heb een droge mond van de zoemende airconditioning. Verse zuurstof is niet uitgenodigd voor deze bijeenkomst, of heeft de uitnodiging geweigerd. Gelijk heeft ‘ie. Droge ogen ook. Dus ik knipper nog een keer en ik zit weer op mijn stugge zadel met krakende vering. Hobbelend beweeg ik door straten met gefrustreerde stedelingen, onbewust suïcidale toeristen en uitgebuitte taxilui voor wie de reguliere verkeersregels niet lijken te gelden. Ik waag mijn leven in een dodelijk labyrinth dat continu in beweging is. Volledig aangewezen op mijn eigen lichamelijke controle en reflexen. Tegelijkertijd moet ik me mentaal door gortdroge en overbodig lange zinnen worstelen op zoek naar betekenis in een groepsgesprek dat een korte e-mail had moeten zijn. Ik vraag me af waarom ik het doe. Waarom zou ik mijn leven wagen in deze idiote dodendans? Waarom zet ik zoveel op het spel terwijl ik er overduidelijk niks voor terugkrijg? Helena flitst door mijn gedachten. Ik zie hoe zij op haar hurken de kinderen vertelt dat papa is geschept door een kapot gewerkte Uber chauffeur, omdat hij moest uitwijken voor een krokante toerist en zijn reflexen het lieten afweten, omdat er een overambitieuze carrièretijger in zijn oor zat te tetteren over de woordkeuze voor een social post die niemand ooit zal liken. De kinderen ontroostbaar huilen natuurlijk, omdat ze er niks van begrijpen en ik begrijp er zelf ook helemaal niks meer van, dus stuur ik mijn fiets de stoep op. Met mijn wijsvinger tik ik tegen mijn oor en aan de eindeloze kantoorruis komt abrupt een einde. De symfonie van de stad keert crescendo terug en ik verwelkom het als een lelijke fleece trui in de snijdende winterkou. De klinkers verwarmen de stof onder mijn billen als ik op ze ga zitten. Met een diepe teug inhaleer ik de stadse fijnstof in mijn longen en sluit mijn ogen. Ik wil gewoon hier zijn. Met mijn gedachten daar. Denkend aan alle momenten dat ik me thuis heb gevoeld. Eerst met haar en later ook met hen. Mijn geluk is verdeeld over hier en daar en toen en nu en ook straks, dat weet ik zeker. Als de kalmte over mijn gedachten neerstrijkt houd ik mijn ogen nog even dicht. Nog heel even, want daarna is het tijd om naar huis te gaan. 

​​​​​​​
Back to Top