En of het waar is?! - Issue #7
9-4-2021
De bankjes langs mijn vaste hardlooproute worden regelmatig in gebruik genomen. Bij bewolking of kou blijven ze leeg, maar zodra het weer genadig is rusten er billen op het hout. Het zijn er ongeveer negen langs mijn route. Of precies. Ik wil ze nooit tellen, bang dat ik te snel de laatste passeer. Ik ben nu zo vaak langs deze bankjes gelopen dat ze een beetje van mij zijn geworden. Door regelmatige nabijheid toegeëigend, als dat zo zou werken. Ik zoek ze maar al te graag op en op die bankjes kom ik alles tegen. Stilzittende wandelaars, met echte wandelschoenen en proviand. Innig zoenende tieners. Eenlingen met lege blikken, in gedachten verzonken of in bier verzopen. Ik ben teveel in beweging om de twee te onderscheiden. Soms een schilder met verf op vingers en doek. Soms mens en hond samen en als ik geluk heb een roodborstje. Ze krijgen stuk voor stuk iets poëtisch over zich heen als ze zo op het bankje zitten. Kijkend. Denkend. Onverstoorbaar in stilte de natuurlijke context op je in laten werken. Als ik ze tijdens het passeren lang genoeg aankijk krijg ik misschien een knikje. Of een glimlach. Een enkeling zegt iets terug als ik ze gedag zeg maar de meeste zeggen niets en dat vinden we allemaal prima.
Ik ren weg van de haat die uit mijn telefoon mijn leven in sijpelt. In nieuwsupdates, Tweede Kamer debatten, social posts en comments, fora, het is overal. Er wordt niet eens meer de moeite genomen om de haat netjes in semantische lagen te verpakken of te verstoppen in lange, complexe zinnen. Het vloeit rijkelijk. Open en bloot. Besmettelijker en misschien wel schadelijker dan het virus dat over de wereld raast. En het is de laatste tijd teveel om nog te negeren of tegen te houden, dus ren ik maar weg. Weg van de haat tegen vrouwen. Haat tegen Aziatische personen. Haat tegen non-binaire individuen. Haat tegen alles en iedereen die een misstap begaat. Als er niet op je wordt gehaat behoor je tegenwoordig tot een minderheid en dat is een conclusie die ik weiger te trekken. Dus ren ik langs de bankjes en kijk naar de vreemden die erop zitten. Het is zo makkelijk om ze te haten. Om hoe ze eruit zien, of er niet uitzien. Om wat ze doen, of niet doen. Om het gezicht dat ze trekken en het sentiment dat ik denk te bespeuren tussen de klanken van de terloopse begroeting door. Het is te makkelijk. Dus besluit ik alle mensen op mijn bankjes lief te hebben. Ik besluit om in hen allemaal iets moois te vinden. Als de deur achter me in het slot valt, start ik de tracking op mijn horloge en begin aan mijn ronde. 
De bankjes zijn een schatkist geworden van het mooiste dat de wereld te bieden heeft en nu ik het zie begrijp ik niet meer hoe ik ooit anders heb kunnen zien. Ik zie hoe de lunchende man er bewust voor kiest om zijn pauze in de natuur door te brengen. Hoe de vrouw in de vale trenchcoat haar gedachten ordent met haar handen netjes opgevouwen in haar schoot en haar longen vol met zuurstof met dennengeur. Ik zie hoe de schichtige blikken van de in elkaar verstrengelde tieners een hoopvolle geiligheid proberen te verbergen. Geen haat, maar het voorzichtige begin van liefde. De toekomst is very much alive. 
Tegen het einde van mijn rondje word ik geconfronteerd met het volgende oogverblindende tafereel: een man en vrouw hebben samen een bankje uitgekozen. Het mooiste bankje van de hele route, moet ik daarbij zeggen. Halverwege de duin, verhoogd. Met uitzicht op de open vlakte waar kleurrijke bloemen in grote hoeveelheden de kop op steken rondom het meer waarin twee zwanen sierlijk door het water glijden. De zon schijnt van tegenovergestelde richting op hun gezichten. Hij heeft zijn ogen gesloten en zij heeft haar blik naar beneden gericht. Ze heeft een boek in haar handen. Als ik ze zo van onder aan de duin zie lijken ze samen een momentje voor zichzelf te hebben. Hij geniet van de zon en zij van haar boek. Maar als ik dichterbij kom en haar stemgeluid toeneemt, realiseer ik me dat ik er naast zit. Mijn hartslag stijgt van de helling en het feit dat ik er tegenop aan het rennen ben maar ik doe mijn best om al hijgend niet teveel geluid te maken. Bang om alles te verpesten. Als ik dichtbij genoeg ben hoor ik hoe zij hem voorleest uit het boek. De beleving die ze in haar stem stopt straalt een cocktail van warmte en emotie uit die hij welwillend absorbeert en plots wil ik niet meer rennen. Ik wil naast ze zitten en meeluisteren. Ik wil ook in het boek zitten zoals zij. En op het bankje in de zon dronken worden van de cocktail die zij schenkt, zoals hij. Een beter medicijn tegen haat bestaat niet.

Back to Top