En of het waar is?! - Issue #6
2-4-2021
Mijn reflectie kijkt me doordringend aan. Het mondkapje verbergt een verbeten blik maar ook als ik dat niet had geweten zouden mijn ogen het al verraden hebben. Als een slager met een heggenschaar gaat de kapper mijn haren te lijf. Ze kanaliseert al haar coronafrustraties via haar vingers en schaar en het regent zwarte lokken, op een melodramatische manier. Misschien zit ik er naast en heeft ze juist plezier in haar ogenschijnlijk willekeurige knipwerk. Blij, met een glimlach op haar gezicht, dat ze na al die vreemde maanden toch weer gewoon aan het werk is. De waarheid blijft verborgen achter een nietszeggend niet-medisch mondkapje. Ik zeg niets. Al had ik wat willen zeggen, dan had het niets uitgemaakt. Want na de eerste knip was mijn lot beschoren. Er was geen weg meer terug. Ik neem het haar ook niet kwalijk. Zij heeft niet drie dagen geleden besloten om mijn vaste kapper de rug toe te keren en, om alle verkeerde redenen, een uitstapje te maken naar deze hippe maar verrassend oncomfortabele stoel. Dat was ik zelf. Dus ik kijk mezelf strak aan, vol verwijten en medelijden. Lijdzaam toekijkend hoe alles korter en korter wordt terwijl de woorden “koester je kapper” als een mantra door mijn hoofd echoën.
Eenmaal buiten ga ik naarstig op zoek naar voordelen van mijn nieuwe coupe. De zon schijnt in mijn gezicht en ik bedenk me dat ik het maar warm zou hebben gehad met mijn oude kapsel. Op de fiets naar huis kom ik niet veel verder. Met moeite overtuig ik mezelf dat ik ook beter ben gaan horen nu mijn oren niet meer belemmerd worden door plukken haar. Tegen de tijd dat ik thuis kom ben ik er allemaal niet meer zo zeker van. Bij binnenkomst begin ik vol ongeloof te tieren over de onkunde van de kapper en de verwijten aan haar adres en ook aan het mijne, en het zelfmedelijden en dan toch weer het ongeloof over de onkunde van de kapper, want wat was het ongelooflijk. Helena vraagt waarom ik niks heb gezegd en ik herhaal mijn overtuiging dat het kwaad al was geschied. Maar omdat zij het vraagt snoept een nieuwe twijfel wat van mijn stelligheid af. Had ik meteen bij die eerste knip iets moeten zeggen? Had ik op moeten staan en haar de les moeten lezen? Had ik boos moeten worden? 
Dennie komt langs en we rennen samen een halve marathon. Als we vanuit de duinen het strand op rennen wordt duidelijk dat we van tevoren geen van beide aandacht hebben besteed aan de weersomstandigheden. Hadden we dat wel gedaan, dan hadden we de strand etappe waarschijnlijk niet in de route opgenomen. De wind slaat onafgebroken en meedogenloos tegen mijn borst en bovenbenen. Mijn gezicht verdoofd. Tranen in mijn ogen. Bewegingen worden steeds kleiner maar kosten des te meer kracht en energie. Het mulle zand ligt in dunne lijnen over het strand verspreid. Als het net tot rust is gekomen wordt het door de wind gedwongen om weer in beweging te komen, waardoor het landschap continu verandert. Ik waan me op de vlaktes van een planeet waar de wind heerst en menselijke problemen niet bestaan. Voetafdrukken achterlatend in onwaarschijnlijke schoonheid. De wind kruipt mijn hersenen in en overstemt alles. Ook mijn eigen gedachten. Ik hoor niet hoe ik hijg. Ik hoor niet wat Dennie zegt. Ik hoor niets van alles wat er niet toe doet. Tijd en ruimte worden samengeperst tot dit kleine stukje realiteit waarin we samen de wind van voren krijgen. 
Na vier kilometer klimmen we de duinen weer op. Terwijl onze tijdruimtecapsule langzaam oplost realiseer ik me hoe waardevol dit moment is geweest. Voor mij. Samen met Dennie. Temidden van natuurgeweld dat me heeft gestript tot een gelukzalige essentie. Deze wind van voren gun ik iedereen. Ook de kapper.

~
Back to Top