En of het waar is?! - Issue #5 
26-3-2021
Ze is er niet. Het huis heeft haar ziel verloren. De wanden pulseren de kou van het passerende seizoen naar binnen toe. Haar warmte is door kieren en spleten het huis uit geslopen, de bron achterna. De trap kraakt harder maar ook zieliger dan normaal. Overal in huis zijn geluiden te horen waarvan ik twijfel of ze hier wel thuis horen, tot ik begrijp ik dat ze er altijd al waren. In verlegenheid gebracht door haar aanwezigheid, overstemd door haar verschijning. Hout, bakstenen, glas en dakpannen versmelten tot een koud, klam deken dat zich steeds strakker om me heen wikkelt. Ik weet dat ze snel weer terug zal zijn. Maar ik hoop dat het sneller is. 
Amy wil alleen maar naar buiten de hele tijd en ik wil dat ook. Onder de verstikkende greep van het natte deken vandaan de prille lentelucht in. Binnen is alleen maar goed voor eten en slapen en alles eindeloos opnieuw. Buiten is iedere keer weer anders. Buiten draait de wereld. Ik ben blij dat ik de meisjes niet hoef uit te leggen waarom ik me al een jaar vrijwillig laat opsluiten. Ze zouden het niet begrijpen, omdat ik het eigenlijk ook nog steeds niet begrijp. We trekken onze jassen aan en laten het huis voor wat het is. Er wordt gewaggeld, gewezen en gegild. Een dennenappel, een slakkenhuis, een mier. Een fuut die onder water verdwijnt, nog wat langer wegblijft om de uiteindelijke onthulling extra spektakel mee te geven. Het werkt, want de kinderen gillen het uit als de watervogel weer boven komt drijven en het publiek stoïcijns de rug toekeert. Alles is even fascinerend en puur. 
We blijven zo lang mogelijk buiten totdat de nasleep van de winter in onze vingers bijt. Iedere nieuw ontdekte krokus of narcis stelt onze thuiskomst nog even uit. Iedere keer wat korter. Als we de voordeur binnengaan lijkt het huis warmer dan we het hebben achtergelaten. Maar misschien verwar ik temperatuur met geluid en zijn het de galmende geluiden van haar kleine evenbeelden die de ruimte vullen en me voor heel even doen vergeten dat ze er nog steeds niet is. 
Als de kinderen in bed liggen en de muren hun echo’s hebben opgezogen is het weer koud in huis. De onrust duwt me weer naar buiten en ik stap in het stukje buiten dat ik van rechtswege het mijne mag noemen. Een van de katten uit de buurt zit op mijn schutting en kijkt me vragend aan waar ik het gore lef vandaan heb gehaald om pspsps te roepen. Ik weet haast zeker dat hij in mijn tuin gaat zitten kakken zodra ik me omdraai om weer naar binnen te gaan dus ik houd territoriaal stand. Met mijn handen in mijn zij richt ik me tot de lucht. Er is geen wolk die me een strobreed in de weg legt om recht het uitdijende universum in te kijken. De overweldigende ruimte maakt nederig en mijn territoriale houding krimpt onder het licht van de maan, tot er niks meer van over is. Ik zie een rijzende ster ten onder gaan in de cancel-culture kosmos. Ik kijk met open mond toe. In zijn wereld zal het drama alomvattend zijn maar in mijn wereld zijn er nog ontelbaar veel sterren over. Het is oneerlijk. Morgen zal iedereen hem weer vergeten zijn. Zo is het lot van een ster die even vergat dat hij een ster was en zich als zodanig diende te gedragen. 
Ik hoor weer een geluid. Dit keer bovenaan de trap. Als ik de eerste treden van de trap beklim vind ik kleine, spekkige beentjes bungelend door de spijlen van de houten balustrade. Isa kijkt me aan. Kleine, glimmende oogjes. Met een blik ergens tussen huilen en hoopvol in. 
“Ik vind het zo leuk als het morgen is.” haar stem klein en fragiel, de perfecte frequentie om mijn hart in duizend stukken te breken. 
“Ik vind het ook zo leuk als het morgen is.” zeg ik terwijl ik haar terug het donker in leidt, haar bed in. We weten allebei dat morgen de zon weer gaat schijnen. Dat morgen de winterse kou écht vertrekt en over vele maanden pas weer terug durft te komen. Dat morgen het huis haar ziel met open armen zal ontvangen als ze door de deur loopt en op haar knieën zakt om de meisjes in haar armen te sluiten en tegen zich aan te drukken. Dat morgen het universum weer in balans zal zijn, als zij er is.   
Ik besluit ook naar bed te gaan. Vandaag gaat ons niks meer brengen. Vlak voordat ik de gordijnen op de slaapkamer sluit zie ik nog net een glinstering in de tuin. Met de grootste moeite zie ik dat de glinstering de ogen van de buurtkat zijn die me strak aankijken terwijl hij gehurkt boven de perk hangt.   
~
Back to Top