En of het waar is?! - Issue #14
9-1-2022
Ik ben opgestaan met het gevoel alsof ik tijdens een marathon ben aangereden door een bus. Eigenlijk wil ik direct weer naar bed maar behoeftige kinderen en de gedachte dat een volwassen man de dag niet begint met opnieuw in bed duiken weerhouden me ervan. De oorzaak van mijn gebroken toestand is een droom. Een bizarre *mashup* van *Frozen* en *Paw Patrol* in een wereld waar kinderkarakters niet thuis horen en kennelijk ook niet per se goed met elkaar om kunnen gaan. Elsa is een cynische draak geworden. Ze wijst Rider - dictatoriale leider van een zestal honden met eigen vervoer - er continu op dat zijn wagenpark niet alleen exorbitant, maar ook nog steeds niet 100% elektrisch is. Of hij wel weet waar hij mee bezig is. Rider staat op zijn beurt zwijgend met een Zippo en brandbaar materiaal te klooien naast het metershoge ijskasteel waar de rest van de Frozen familie zich angstvallig schuilhoudt. Zijn honden hebben allemaal een beangstigende blik in hun ogen en liggen schuimbekkend aan de ketting. Elsa staat te tieren en roept dingen als “Je zou je de ogen uit je te grote, glanzende hoofd moeten schamen met jouw carbon footprint” en “Waag het niet om die kwijlende, doorgefokte misbaksels op me los te laten”. Het is niet fraai. Maar omdat het mijn droom is moet ik het hele spektakel uitzitten. Tegen de tijd dat ik wakker wordt is de Paw Patrol flink uitgedund en hebben de restanten van het ijskasteel een watersnoodramp veroorzaakt waar 1953 bij verbleekt. Kristoff bleek niet te kunnen zwemmen. 
Als een zombie manoeuvreer ik me door de dag. Moe, maar de dag verloopt nog verbazingwekkend goed. Al zou ik het willen, ik kan me bijna nergens echt zorgen om maken. Zorgen glijden even snel weer van mijn hangende schouders als dat ze erop konden klimmen. Met één uitzondering. Die droom zit me niet lekker. Het baart me zorgen. Want als uitgerekend Elsa en Rider elkaar zó naar het leven staan, dan lijkt saamhorigheid voor de gewone sterveling een gepasseerd station. De kamers in het huis voelen groter aan maar het komt waarschijnlijk omdat ik zelf langzamer beweeg. Op willekeurige momenten vertraag ik tot een volledige stilstand om enkele seconden of zelfs minuten later te ontwaken en me af te vragen waar ik naar op weg was. 
Na de lunch ontwaak ik in de kinderkamer op de eerste verdieping. Het geluid van de voordeurbel moest van ver komen maar toen het eenmaal mijn dromerige schil had gepenetreerd deed de schelle toon fysiek pijn aan mijn hersenen. Ik tuur glazig uit het raam en aanschouw een bijzonder tafereel in de straat. Een oranje PostNL-bus staat met ronkende motor voor mijn huis. De bezorger staat voor mijn deur. Achter zijn busje staat een witte caddybus met op de zijkant in olijke letters geschreven “De Kwispelclub - Uitlaatservice”. Het raampje van de bestuurder staat open en er klinkt een kakofonie van geblaf, gepiep en gehuil vanuit het ruim. De vrouw die uit het raam hangt kan ik niet verstaan. Haar mimiek verraad het een en ander aan verhit sentiment. Achter de Kwispelclub staat een klein blokkig voertuigje van Picnic. De jongeman achter het stuur lijkt vooral heel onrustig. Er klinkt heftige drum-n-bass muziek door de dunne wandjes van zijn elektrische wagentje en iedere vijftien seconden kijkt hij nerveus op zijn horloge. Ik vraag me af hoe lang hij er al staat. Vlak tegen de achterbumper van de Picnic-wagen staat de buurvrouw van nummer 63 in haar gifgroene Kia Picanto. Ze hangt vol vuur op haar toeter en is rood aangelopen omdat ze waarschijnlijk al een tijdje de longen uit haar lijf schreeuwt. Tot dit moment hoorde ik alle geluiden nog apart, maar eenmaal aangekomen bij het laatste voertuig in de rij komen alle geluiden samen en knalt de helse symfonie van de buurvrouw, de toeter, de drum-n-bass, de hondengeluiden en de bel door mijn hoofd... De bel! 
Ik kom abrupt in beweging en struikel de strap af. “Stond je al lang te wachten?” hijg ik in de deuropening. Ik krijg mijn pakketje overhandigd van de PostNL-bezorger.
“Nee joh. Eigenlijk pas net.” Hij kijkt over zijn schouder naar de opgewonden colonne achter zijn wagen. Als hij zijn blik weer op mij richt staat er een stralende glimlach op zijn gezicht. 
“Oh, ik bedenk me opeens dat ik nog een retourtje voor je heb.” 
“Wacht... Waar heb ik het ook alweer liggen? ... Ik had het ergens klaargelegd.” Ik zoek vanuit stilstand in de rondte maar de gang is leeg. Als ik me weer tot de bezorger wend kan hij zijn lachen al bijna niet meer houden. Ik lach terug en vraag
“Heb je even?”
En terwijl ik me omdraai en de woonkamer inloop sterft de furieuze straatsymfonie weg en hoor ik alleen nog de prachtige schaterlach van mijn allerbeste bezorgvriend. 
Suck on that Elsa en Rider.
~
Back to Top